Martin Buber
De weg van de mens. Met de zes stadia op zijn levensweg.
Martin Buber (1878-1965) (Der Weg des Menschen, 1948)
Boekje is uitgegeven in Nederland in 1952 op basis van een door Buber in april 1947 gehouden lezing te Bentveld.
“Bij zichzelf beginnen, maar niet bij zichzelf eindigen; van zichzelf uitgaan, maar niet naar zichzelf toe streven; zichzelf zijn, maar niet met zichzelf bezig zijn.”
‘In essentie gaat het om de oneindig vele wegen naar het wezenlijke en dat betreft het helen en heiligen van aarde, plant, dier en mens.’
De zes hoofdstukken in het boekje vormen de zes stadia die Martin Buber aan de hand van Chassidische vertellingen uiteenzet. In deze: 1. Zelfbezinning – 2. de bijzondere weg – 3. vastbeslotenheid – 4. bij zichzelf beginnen – 5. zich niet met zichzelf bezighouden – 6. daar waar men staat. Zie onderstaande diagram. (digitaal model nog invoegen)
In bovenstaande diagram hebben we deze 6 stadia trachten vorm te geven in een Davidster, met de driehoek met de punt naar boven (mnl driehoek) en met de punt naar beneden (vrwl driehoek).
Het betreft een diagram (rood). Het is geen diagram in de gebruikelijke zin (zie elders). Het betreft een diagram die je kunt terugvinden in het Hologram. Daar wordt het diagram uitgewerkt in vier driehoeken, met de vier punten van de vier driehoeken wijzend naar het oosten, zuiden, westen en noorden.
In bovenstaande diagram gebruiken we slechts de twee driehoeken op de verticaal en niet de twee driehoeken op de horizontaal, zoals bijvoorbeeld bij het uitwerken van de Raya Yoga diagrammen.
We hebben voor deze uitwerking gekozen omdat de posities van de zes stadia, zeer wel compatibel zijn met de diagrammen van de persoonsontwikkeling. Zie onder andere het diagram “De vierkantswortel van de persoonsontwikkeling”. Daarin verwerken we o.a. de vier aspecten van de persoons ontwikkeling in de respectievelijke vier kwadranten, in deze: de zelf-functie, de ego-functie, de individu-functie, ik-functie en de daaraan verbonden karakteristieken, in deze respectievelijk autoïteit, egoïteit, identiteit en authenticiteit.
Stadium 1, komt overeen met het kwadrant van het Zelf, in deze de autoïteit of zelfheid. Stadium 2 komt overeen met het kwadrant van het Ego, in deze de egoïteit of eigenheid. Stadium 4 komt overeen met het kwadrant van het Individu, in deze de ondeelbare identiteit. Stadium 5 komt overeen met het kwadrant van het Ik, in deze de authenticiteit van het Ik.
Stadium 3 en 6 zijn gepositioneerd op de verticaal, in deze respectievelijk het centripetale noordpunt (vastbeslotenheid) en het centrifugale zuidpunt; daar waar men staat en aan de slag kan.
Stadium 1 – 2 – 3 vormen de opwaartse mannelijke driehoek met de punt op het noorden. Stadium 4 – 5 – 6 vormen de neerwaartse vrouwelijke driehoek met de punt op het zuiden.
Van 1994 tot en met 2012 vormde bovenstaande leerstof m.b.t. de persoonsontwikkeling, een praktisch en theoretisch deel van de Therapeutische Vorming (verzorgd door schrijver dezes) & Groei (verzorgd door Berno Toolenaar) op de Hogeschool voor natuurgeneeswijzen in Arnhem (HVNA). Vandaar dat we in boven vernoemde diagram, over de Vierkantswortel van de persoonsontwikkeling, belangrijke modellen aangaande de persoonsontwikkeling compatibel hebben toegevoegd, zo ook fungeerde in deze het diagram m.b.t. de zes stadia van Martin Buber.
Hier apart uitgewerkt, omdat Buber zes markante aspecten uitwerkt, die zeer wel een helder filosofisch en psychologisch licht werpen op hoe in deze de persoonsontwikkeling al of niet naar behoren gestalte dient te krijgen. Geheel en al door Buber onderbouwd vanuit zijn kennis en betrokkenheid bij het Chassidisme (van chassid – trouw aan het verbond). Een mystiek-religieuze beweging, die in het midden van de 18e eeuw ontstond in het Oost-Europese Jodendom.
Aan de hand van Chassidische vertellingen ontwikkelt Buber verhalenderwijs deze zes markante aspecten, die volgens Buber zeer wel te onderscheiden zijn van de Talmudische vertellingen die meer belerend zijn. In deze zijn de Chassidische vertellingen veel praktischer en down to earth. Ook al worden deze zes stadia door Buber uitgewerkt als een weg waarin de gelovige zich op weg begeeft God in zijn leven toe te laten en of aanvangt zich erop te oriënteren, leek het ons evenzeer van toepassing te zijn op een meer seculiere en hedendaagse levensinstelling.
Het brengt ook zeer veel aspecten aan het licht, die in de persoonsontwikkeling van de therapeut en in deze van elke mens, die naar heling streeft, zeker zijn toe te passen dan wel aan de orde dienen te komen in een gezond en helend altruïsme. Want met dat laatste woord zijn deze stadia zeer wel onder één noemer te brengen. Het altruïsme staat haaks op het vigerende naar macht strevende elitaire egoïsme.
De zes stadia: met de benamingen uit de weg van de mens.
1. Zelfbezinning
In dit stadium dient op een gegeven moment, vanuit zelfbezinning, de inkeer tot zichzelf plaats te vinden, teneinde de ommekeer te kunnen bewerken, met de volgende vragen: Waar ben ik mee bezig? Waartoe ben ik bestemd? Hoe kan ik voor mij zelf tijd en ruimte scheppen om mijn innerlijke roeping gewaar te worden? Wie of wat roept mij? Waar en wanneer kan ik aanvangen? Hoe geraak ik uit mijn zelfzucht ter wille van het heil van de ander en het andere?
2. De bijzondere weg
De bijzondere hoogst persoonlijke weg wordt door Buber gekarakteriseerd als datgene vormgeven wat niemand anders dan je eigenste zelf vermag voort te brengen. In deze elke imitatie (coping) van een andere grootheid in je leven tot nu toe vermijdend. Dat wat jij geheel op eigen wijze en op eigen kracht weet vorm te geven en zeer wel in het Licht van leren dienen.
3. Vastbeslotenheid
In dit stadium gaat het om vast besloten en volhardend vanuit een helder en duidelijk levensdoel je innerlijke zielewezen tot een mate van eenheid te smeden, alvorens op weg te gaan. Je niet af laten leiden door de waan van alle dag, maar om je zelf te trainen om consequent en uit één stuk datgene vorm te geven waartoe jij je geroepen voelt of waartoe jij je bestemd voelt. Dat kan niemand anders voor je doen dan je eigenste zelf. Deze vastbeslotenheid vraagt enerzijds om een puntigheid, maar anderzijds ook om een open blijven staan voor alles wat op je weg komt aan handreikingen en of wenken.
4. Bij zichzelf beginnen
Bij zichzelf beginnen, houdt in, dat je datgene wat jij wenst vorm te geven zeer wel eerst op je zelf leert toe te passen en of eigen te maken. Immers je dient in deze zo nodig en wenselijk je zelf te veranderen en of je zelf eerst op orde te brengen, in gedachten, gevoelens, woorden en handelingen. Je dient in je zelf orde en structuur te scheppen om deze voorgenomen weg ook innerlijk te kunnen vervolgen. Dat hangt geheel van je eigenste zelf af, voor zover jij datgene tegenkomt, wat in deze gaande de weg al of niet aan de orde komt. Want al hetgeen je gaat ondernemen hangt immers van je eigenste zelf af.
Je dient eerst je zelf te verwezenlijken, te genezen, alvorens je te kunnen verhouden tot de ander of het andere. Je zelf helen, biedt de mogelijkheid de ander in zijn of haar weg naar heling te kunnen begeleiden. Begeleiden en niet leiden, want ook de ander dient haar/zijn eigenste weg zelf te bewandelen. Om in deze een actueel voorbeeld te geven: de oorsprong van elk conflict ligt in jezelf en dien je eerst zelf te helen.
5. Zich niet meer met zichzelf bezighouden
In dit stadium dien je niet meer met je zelf bezig te houden, zoals bijvoorbeeld zelftwijfel, zelfverwijt, zelfkwelling, zelfkritiek, maar dien je juist je empathisch te kunnen verplaatsen in en of te vertrekken vanuit de ander en het andere. Empathie houdt het gewogen midden tussen sympathie en antipathie. Deze fase impliceert wel, daar waar van node, dat je kritisch kunt blijven reflecteren op je eigenste gedrag. Maar in de mate dat je geheel en al ter beschikking komt voor de ander en het andere, ben je niet meer bezig je zelf te zoeken en of na te streven. Pas in het onbaatzuchtig en belangeloos er zijn voor de ander en het andere, krijg je de beschikking over “de sleutels van het heelal” om aan de ander en het andere dienstbaar te kunnen worden.
6. Daar waar men staat
Daar waar jij hoogst persoonlijk met jouw gaven en opgave staat, kan je ook op het beslissende moment “de schat” vinden, die je vanuit den hoge of vanuit een andere dimensie wordt aangereikt en of wordt ingegeven om niet. Dit geschiedt altijd in dienst tot diegene en of datgene, wie en of wat er toe doet. Moeiteloos alsof het je wordt geschonken om dit mogelijk te doen worden. Op jouw hoogst persoonlijke weg vindt je ook de antwoorden en inlossingen waar de ander en of het andere om vragen. Deemoedig heil bewerkend: verlossend en vervullend, helend en zegenend.
Inhoudsopgave
