Inleiding
Teken, plaatje, model, patroon. Met deze vier begrippen duiden we de wijze waarop we een grafisch beeld vormgeven teneinde systeem dynamisch te kunnen denken en werken. Een grafisch beeld krijgt vorm door het zetten en trekken van punten en lijnen (tekens). Met deze tekens kunnen we onderscheiden plaatjes vormgeven, afhankelijk van het onderwerp van onderzoek. De wijze waarop we dit plaatje samenstellen (het hoe) bepaalt het te vormen model. Door deze modellen coherent en consistent vorm te geven, kunnen ze compatible uitgewerkt worden in een patroon. (Voorbeeld van verschillende grafische weergaven in een model (LINK) (Denk bijvoorbeeld ook aan de reeks: variabele letters, letters vormen een woord, woorden vormen een zin en zinnen vormen een verhaal)